Schrijfletters

Oefenen van de a

Oefenen van de au

Oefenen van de c

Oefenen van de d

Oefenen van de ei

Oefenen van de g

Oefenen van de i

Oefenen van de ie

oefenen van de n

oefenen van de ou

oefenen van de p

oefenen van de q

oefenen van de r

oefenen van de s

oefenen van de t

oefenen van de v

oefenen van de w

oefenen van de z

 

Advertentie
Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Meten is weten

Aan alle kinderen van groep 3 (dat zijn er 6) besluit ik een les meten te geven. Ik ga de gang op met hen, zodat ik de overige kinderen minder stoor. Bovendien hebben we veel ruimte om van alles te gaan meten.
Ik vraag wat ze weten over meten. Daar komen wat begrippen uit, als meter en centimeter. Als ik vraag waarom wil je meten, blijft het stil. Ze komen er niet goed uit. Dan weet je hoe groot iets is. Maar waarom ze dat zouden moeten weten??? Dan vertel ik maar dat dit handig kan zijn als je bijv.een kast wilt verplaatsen, maar je weet niet of de kast in die hoek past. Een zware kast zomaar verslepen en erachter komen dat het net niet past, is niet fijn.
Dit begrijpen ze. Maar hoe meet je dan, bijv.een kast? Daar gaan al wat handjes tegen de kast. Nee, weet een kind, dan pak je een lineaal. Ik laat dit kind er 1 halen, en ja, hij komt met een korte lineaal van ong.30 cm.terug. Al doende ontdekt hij dat dit niet erg handig is. Een bordlineaal is slimmer. Ik benadruk na het doen, dat meten hetzelfde is als vergelijken. De kastlengte vergelijk je dus met de wandlengte.
Met de bordlineaal geef ik het lesje met de namen, want die zijn duidelijk hierop aangegeven, cm, dm en meter. Ik laat de mm nog even weg. Ik houd de bordlineaal in mijn gespreide armen en laat elk kind zijn armen spreiden zo wijd als de lineaal lang is. Ze moeten dit goed vasthouden, zo lang is dus een meter. Dan houd ik de lineaal rechtop langs elk lijfje. We zijn allemaal meer dan 1 meter lang, maar nog geen 2 meter! En we springen een meter, nadat ik de lineaal op de grond heb gelegd. Met hun vingers moeten ze een cm en dm aangeven. Ik houd mijn armen gespreid (wat is dit? Een meter, juist) en dan mijn vingers(wat nu? Een dm, juist) totdat ze het bijna allemaal meteen kunnen zeggen en ook zelf aangeven. Een jongetje echter lukt het maar niet om de juiste namen erbij te noemen. Ik laat dat maar even zo.
Dan mogen ze met de 3 verschillende materialen, kleine lineaal, bordlineaal en het meetwiel in groepjes van 2 aan de slag. Ze zijn enthousiast aan het meten. Ze moeten opschrijven wat ze meten en hoe lang, breed iets was. Dit is ook goed voor wat jongens die nauwelijks willen en kunnen schrijven. Nu meten ze dat het een lieve lust is en schrijven wat af.

Na een paar dagen, zie ik het jongetje dat de namen maar niet kon onthouden met het meetwiel alleen over de gang lopen. Hij gaat met het wiel rond en stopt bij een tafel. Hij duwt moeizaam het wiel onder de tafel en trekt het terug en kijkt. Hij kijkt, hij denkt, kijkt nog eens en denkt enorm na. Dan duwt hij het wiel nog eens onder de tafel en kijkt opnieuw. Opeens loopt hij weg met het wiel en pakt zijn papier. Hij ziet mij staan. Ik prijs hem om zijn aandachtig harde werken. Hij lacht en schrijft.
Ik zet de 3 meetnamen op het bord, zodat ze deze goed kunnen overschrijven, waarop ik een kind uit groep 5 hoor zeggen tegen een ander kind: “Dat hebben wij nog geen eens geleerd, decimeter.” Dit sla ik op en op een andere dag herhaal ik deze begrippen voor de gehele groep. Wat zijn de kinderen van groep 3 zichtbaar trots als zij iets blijken te weten wat oudere kinderen nog niet weten! Maar nu ga ik wel door met het gehele metrieke stelsel en voeg de namen mm, decameter, hectometer en kilometer toe! Zo blijft elk kind geboeid. Voor elk kind wat nieuws.

En ik denk terug aan een les meten die ik gaf op een school die groeiende was, waar ik met alle kinderen van alle groepen bij elkaar zat in 1 ruimte. Met de toen nog maar 10 kinderen ben ik naar buiten gegaan met een zelfgemaakte hectometer van papier. We wilden ervaren hoe lang een hectometer was. Maar dat paste niet meer in het lokaal. Ik zie ons nog lopen: kleuters t/m de ene 8e groeper, achter elkaar, elk het papier vasthoudend. We moesten een flink eind lopen om de hele strook uitgerold te krijgen! En daarbij toch ook bochten maken, waarbij het papier niet mocht scheuren!

Ik hoop dat ze die ervaring nooit meer vergeten…..meten is niet weten, maar ervaren….

 

Geplaatst in Montessori, Onderwijs | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Wintermug

MUGRob staat zich enorm te krabben tussen zijn jukbeen bij zijn schouder. Ik vraag hem waar hij last van heeft. Hij zegt: “Ik heb last van een muggenbult.” En voegt er hartgrondig aan toe: “Ik haat muggen!”
Ik kijk op zijn schouder, waar hij krabde en vraag verbaasd: “Wat zeg je nou? Een mug? Dat meen je niet.” Rob kijkt even wat geschrokken naar me. Dit is wat hij altijd doet. Hij moet aftasten: is de juf boos, mag ik dit niet zeggen? Rob is een jongetje dat heeft moeten leren het gedrag van anderen op juiste waarde te schatten. Iets wat bij een ander kind vanzelf gebeurt, is voor hem een lang leerproces.
Maar hij kent mij nu al behoorlijk lang en weet dus snel, de juf is oprecht verbaasd. En als ik vervolg met: “Dat kan toch helemaal niet, ik wil dat niet, hoor, in de winter, een mug..” , dan weet hij al helemaal: dat kan ze nou wel niet willen, maar het is helaas zo.
Hij zegt dan ook stellig: “Tja, ik denk dat het een typisch Stolwijkse wintermug was.” En hij loopt weg, mij schaterlachend achterlatend.

Geplaatst in Montessori, Onderwijs | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Veranderen

sintWe gaan surprises maken voor de jongere kinderen. De kinderen van groep 5 t/m 8 druppelen binnen, kletsen wat, zien de kadootjes liggen en vragen: ‘Krijgen ze dit, juf?’ ‘Ja’, beaam ik. En ik zet ze meteen aan het werk. Er staat een grote doos met erin schoenendozen, w.c.- rolletjes, dopjes, kokers en wat nog meer voor kosteloos materiaal; er ligt papier in allerlei kleuren, soorten en maten. Ik heb extra lijm klaar gezet en scharen verzameld.
Ze kijken, ze rommelen wat, maar al snel heeft elk kind een doos te pakken.

Dan komt als laatste Sam binnen. Ik weiger op de klok te kijken, want ik wil vandaag niet moeilijk doen over zijn eeuwig te laat komen. Sam geeft me een hand, kijkt alles even aan en ziet dan dat er geen schoenendoos meer over is. Hij begint te klagen bij de kinderen: ‘Ik wilde toch zo’n doos, dat had ik toch gezegd.’ De kinderen kijken hem wel aan met een begripvolle blik, maar ja, zij hebben nu die doos. Dan komt Sam bij mij: ‘Juf, nu heb ik geen doos meer.’
Ik knik: ‘Ja, je was ook laat en dan krijg je dat. ‘
Sam, meteen fel: ‘Ik was helemaal niet te laat.’
O help, nee, dat wilde ik toch zelf niet? Dus snel schud ik mijn hoofd: ‘Nee, dat zeg ik ook niet, maar je was wel de laatste zodat iedereen al wat had uitgezocht.’
Omdat ik zelf wel aanvoel dat dit niet helemaal de lading dekt, voeg ik eraan toe: ‘Had jij dan je naam erop gezet of de doos echt voor jou gereserveerd?’
‘Nee’, zegt Sam.
Ik: ‘Tja, dat had je dan misschien moeten doen. Of, wat anderen bijv. hebben gedaan, is iets meenemen van thuis, wat ze persé nodig hadden. Dat had ook gekund.’

Ik wacht even. Sam kijkt rond. Maar hij vervolgt toch weer met zijn klaagzang dat hij nu geen goede doos heeft. Ik knik en zeg dat hij dan een andere oplossing moet zoeken.
Ik laat hem. Sam gaat zitten aan de tafel met hangend hoofd. Ik wacht af en bemoei me rustig met de overige kinderen. Die kunnen allemaal zelf verder, dus ik kijk weer naar Sam. Hij zit doodstil met een donderwolkgezicht. Ik geef hem en mezelf een tiental minuten. Maar dan ontplof ik al bijna: ‘En nu, Sam, verzin jij een andere oplossing of je gaat naar beneden bij de anderen aan het werk.’ Geen reaktie, behalve dezelfde klaagzang: ik heb toch geen schoenendoos!

Ik geef aan dat hij tien tellen krijgt en begin: 1, 2, 3 …. Sam staat al op, pakt zijn spullen en vertrekt.
Oeps, dat had ik toch niet verwacht!
Ik voel de enorm gespannen sfeer die nu ontstaan is. Ik baal er verschrikkelijk van. Dit had een gezellige knutselochtend moeten worden. Hč, hoe kom ik hier nu weer doorheen?
Bovendien krijg ik nu misschien weer die ouders van Sam op mijn dak. En hoe krijgt dat kind nu zijn surprise?
Ik gun mezelf even bedenktijd en probeer de sfeer luchtiger te maken door nadrukkelijk de anderen te prijzen en te helpen. Opeens vraag ik me af of Sam wel naar de klas beneden gegaan is. Ik ga meteen wat halen en kijk : ja, daar zit hij. En hij werkt!! Hij kijkt wel op, maar ik reageer nog niet op hem.
Ik ga terug en voel me zo onrustig. Gerriederrie, dit is echt niet goed. Dan besluit ik een poging te wagen en ga in gesprek met Sam beneden. Maar hij blijft volharden in zijn houding; hij wilde die doos en dus…
Tja, dan komt het moment dat hij de consequenties van zijn halsstarrige houding maar moet gaan voelen. Wel voeg ik eraan toe dat ik het absoluut niet eerlijk vind, dat hij dat kind dat zijn surprise moet krijgen nu de dupe ervan laat worden. Ik besluit mijn betoog met een stelligheid: hoe dan ook, er ligt straks op donderdag een surprise voor hem.

We gaan naar buiten en ik zie op een gegeven moment de anderen ook buiten komen. Sam kijkt kort mijn kant op, maar gaat zijn gang. Ik wil het kwijt en vertel de kwestie summier tegen een collega. Zij reageert:’Nou, die zal het nog heel moeilijk krijgen in zijn verdere leven!’
Jemig, daar schiet ik wat mee op. Die jongen heeft het nu al zo moeilijk! En ik ben al zo blij met de veranderingen die er bij hem hebben plaatsgevonden.
Ik laat het even. Maar dan is er die andere collega, die veel met ‘zorgkinderen’ werkt. Zij reageert anders: ‘Jo, dan zeg je tegen hem: moet je luisteren, ik zie dat je teleurgesteld bent, ik begrijp dat jij graag die doos had gewild, maar het is nu eenmaal niet anders. Nu moet jij proberen je hieroverheen te zetten,want daar ben je oud genoeg voor. Kunnen we samen iets anders verzinnen? Wil je de school niet doorlopen om te kijken of je een andere doos kunt vinden?’
En dan ben ik zo opgelucht en blij, want ik weet : dat is de enige, juiste manier!

Ik ga na de pauze naar Sam toe en vol overtuiging begin ik het gesprek. Ik open met : ‘Sam, allereerst wil ik je dit zeggen: ik vind dat je zo rustig bent gebleven, je was niet blij, maar je mopperde maar even. Ik begrijp dat….’en zo vervolg ik het gesprek. Meteen komt hij zelf tot een oplossing. Hij wil nu alvast beginnen met de armen en benen die hij wel al kan maken en zal dan thuis, tussen de middag, een doos zoeken.
Later kom ik hem nog even alleen tegen in de gang en ik pak hem beet en zeg: ‘Sam, ik ben echt blij dat je weer meedoet, want ik vond het maar wat saai zonder jou.’
En tot mijn blijde verrassing meende ik dit werkelijk oprecht.

Wat ben ik veranderd!!!!

Geplaatst in Montessori, Onderwijs | Tags: , | Een reactie plaatsen

Mieke, het zingende meisje

Op de Montessori-school mag je zelf kiezen welk werk je gaat doen en hoe lang je er mee bezig wilt zijn.
Mieke leest heel graag. Ze pakt alles wat er maar aan boeken te vinden is in de klas, neemt ze mee naar haar tafeltje en leest. Zo leest ze niet alleen in haar eigen leesboek dat ze in haar la heeft liggen, maar ze leest ook alles wat er maar op de aandachtstafel ligt: over vlinders, over stenen, over vulkanen, het maakt haar niet uit.

willemwilminkVandaag zit ze stilletjes te lezen in een gedichtenbundel, die ik in mijn taalkast heb liggen. Ik besluit eens te gaan luisteren hoe ze nu leest. Ik pak mijn kruk en ga naast haar zitten. Ik hoef niets te vragen of te zeggen, Mieke begint meteen enthousiast te vertellen: ‘Hè, dit is toch een liedje? Hoe kan dat nou in dit boek staan?”
Ik zie dat ze het versje van Willem Wilmink leest over “Foto’s kijken”. Inderdaad , dat heb ik de kinderen geleerd. Ik leg haar uit over de overeenkomst tussen liedjes, versjes en gedichtjes: allemaal korte zinnetjes, je kunt ze goed opzeggen (ritmisch), vaak Allemaal op rijm. En dat Wilmink vaker gedichtjes of versjes van hem op muziek zette of liet zetten door andere componisten.
Mieke luistert even en dan hoor ik haar al gaan: ze zingt zachtjes het liedje. Zo zuiver, zo prachtig in muzikale zinnen! Maar ook hoor ik hoe goed ze kan lezen!! Ze heeft de muziek goed onthouden, maar de tekst moet ze echt nog wel lezen.
Ik geniet en laat haar zingen.

Maar… het is heel rustig en stilletjes in de klas. Alle kinderen werken. Opeens besef ik: stoort dit de andere kinderen niet? Ik kijk op; sommige kinderen kijken wat nieuwsgierig, andere kinderen kijken helemaal niet op of om. Ik lach wat verontschuldigend naar de kijkende kinderen en probeer met mijn mimiek duidelijk te maken dat ik zelf zo geniet van Mieke.
Ze lachen terug en er is geen kind dat reageert met : Hou eens op!

Mieke zingt alle coupletten uit. Ik prijs haar om haar mooie zingen en neem mijn kans waar. “Zit jij nu al op muziekles?” Nee, ze moet eerst haar zwemlessen afronden en dan mag ze op muziekles.
Ik begrijp het.
Ze vervolgt zelf: ” Ik ga dan ook op zangles, denk ik. Want ik wil graag zingen. Maar niet in een koor, want dan moet je luisteren naar de anderen en dan raak ik in de war.”
Juist! Daar komt de kern van dit meisje haar gedrag naar boven! Haar moeder maakt zich zorgen om haar. Ze heeft geen aansluiting met meisjes uit de klas. Ze voelt zich vaak niet lekker, schijnt.

Ik zie in de klas een meisje dat er zelf voor kiest om niet met anderen bezig te zijn. Ze zit naast een heel lief meisje dat jonger is en ook slim, waar ze mee kan samenwerken. Ik stimuleer dit door expres lesjes te geven met werk dat ze allebei aan kunnen. Maar Mieke vraagt nooit uit zichzelf om samen te gaan werken! Sterker nog: als ze samen met hetzelfde materiaal werken, dan gaat Mieke nog haar eigen gang.
Ze leest en sluit zich ook daarbij af voor haar omgeving.
Als we zingen, dan gaan inderdaad vaak haar handen voor haar oren! Raakt ze in de war? Ik denk het niet. Ze hoort te goed wie er allemaal niet zo mooi zuiver zingen. Zou dat niet gewoon pijn aan haar oren doen? Maar wat zou het goed voor haar kunnen zijn, om te leren dat je jezelf kunt zijn ook in relatie met anderen die anders of minder goed in iets zijn. En dat solistisch optreden fijn kan zijn, juist in afwisseling met samen musiceren. De meerwaarde leren ervaren van iets gezamenlijk doen, dat zou ik haar graag laten ervaren.
De vraag is dan ook: wie heeft er nu een probleem? De moeder omdat ze zo graag een dochter wil die sociaal gedrag vertoont? Of de dochter die probeert aan de verwachtingen te voldoen van haar moeder?
In dit geval : allebei. Maar waar moet de verandering plaats gaan vinden????

Geplaatst in Montessori, Muziek, Onderwijs | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Meester Daan

letterdoos-2Daan zit een taalwerkje te doen aan zijn tafel, hij moet woordjes schrijven. Maar hij schrijft niet, Daan kijkt. Naast hem zitten twee kinderen te knutselen aan een enorm ding van karton. Dat moet natuurlijk afleiden. Al een tijdje had ik het zitten aankijken of Daan ging doorwerken, maar nee. Ik besluit in te grijpen en ga voor hem zitten, op mijn hurken, en zeg: “Daan, hoe denk jij nu dat je er voor kunt zorgen dat je niet meer wordt afgeleid?” Meteen gaat zijn kopje naar beneden, dus hij wist precies wat ik bedoelde. “Ja, nee nee, nou heb ik er voor gezorgd. Maar ik ga dat niet de hele tijd doen, voor jou zitten en iets tegen jou zeggen. Hoe ga jíj er nu voor zorgen. Naast jou is het heel interessant, zitten ze te knutselen. Maar ja, deze bladzijde moet af lijkt mij.” En toen keek ik eens goed naar zijn werk. Ik wil hem confronteren met het feit dat hij al heel lang niets had gedaan. “Wat heb je eigenlijk tot nu toe gedaan”, vraag ik en Daan wijst de onderste regel aan. “Dat betekent dus dat je drie woordjes hebt geschreven, en daar komt er dan nu nog één bij. Dat is niet veel hč, de hele ochtend?” Daan kijkt me schuldbewust aan. “Dus, die drie woordjes gaan af, en daarna sla je de bladzijde om en gaat deze hele bladzijde ook nog af. Maar nou ga jij er voor zorgen dat het afkomt. En hoe je het doet, maakt mij niet uit hoor, het gáát gebeuren.”

Ik vervolg mijn ronde. Na enige tijd komt Daan bij me: “Gélukt.” Waarop ik verrast zeg: “En die hele volgende bladzijde ook?” “Nee”, zegt hij. Ik meteen: “Jaa.., dat hadden we afgesproken.” “O”. Nou, hij loopt weg, maar ik denk, wacht even, ik heb het idee dat hij me misschien toch niet begrijpt. Ik zeg “Laat nog eens zien, Daan”. Ik kijk eens goed naar zijn werk en ja, hij had wel de volgende bladzijde gedaan. Hij dacht dus dat ik bedoelde nóg een bladzijde. Ik zei “Neé, ik bedoelde deze bladzijde, dus die is óók gelukt!” Waarop Daan werkelijk straalt van trots en blijdschap en ik straal mee.

Later op de ochtend spreek ik hem opnieuw aan, op het moment dat ik zie dat hij zich weer laat afleiden. “Nu heb je vanochtend van mij gehoord dat je er op moet letten dat je niet wordt afgeleid. En …je moest er zélf op letten. Nou word jij dus eigenlijk meester Daan.” Daarom moet Daan wel heel hard lachen. Ik ga nog even verder: “Ja, nu ga je meester zijn van jezelf, dus dan zegt meester Daan tegen leerling Daan: zeg Daan, ga jij eens d’r voor zorgen dat jij dit werkje af hebt! Als het …, nou zullen we eens naar de klok kijken?” Maar Daan kan nog geen klok kijken en noemt maar een tijd. Hij weet wel waar de grote wijzer heen gaat. En warempel, het was een redelijke schatting. Ik accepteer het: “Ja, is goed. Nu gaat meester Daan er dus voor zorgen dat leerling Daan dit dan ook doet, hè.” Het was hem gelukt! Hij genoot van de humor om zijn twee persoonlijkheden. Dat was blijkbaar de invalshoek bij hem.

Geplaatst in Montessori, Onderwijs | Tags: , | Een reactie plaatsen

Bezoek aan een museum met de klas

In het kader van een kunstproject gaan we naar een museum.
Tijdens mijn rondgang door het museum kom ik een collega tegen, die mij vraagt of ik weet wat er boven nog te zien is. Ik moet even nadenken, want wat was nou ook alweer waar te zien en weet het weer: “Een chirurgijnenkamer met allemaal medische apparaten uit de 17e eeuw o.a. ” reageer ik enthousiast, want ik zie de kiezentangen weer voor me en de zagen en de eenvoudige stethoscoop. En ik denk aan de les die ik gaf over de ontdekkingen die men deed in de Gouden Eeuw. Maar deze juf merkt op dat zij daar niet voor komt en klaagt over het feit dat er zo weinig schilderijen te zien zijn. Meteen schiet mij het prachtige schilderij gebaseerd op het schilderij van de anatomische les van Rembrandt dat daar ook hing, te binnen! Maar ik zwijg…
Wat gaat hier nu mis? Want zo voelt het wel. Het gaat hier mis in het onderwijs.

museumgoudaAllereerst vind ik het onbegrijpelijk dat je naar een museum gaat zonder je van te voren te verdiepen in de collectie die je daar te zien krijgt. Je hebt altijd een bepaald doel voor ogen bij een dergelijk bezoek met kinderen.
Stel dat je niet in staat bent tot het zelf bezoeken van een museum vooraf, dan bestaat toch de mogelijkheid je te laten informeren via andere media, bijv. internet.
Stel dat je desondanks niet helemaal op de hoogte bent van wat je te zien krijgt, dan zou ik met de kinderen daar iets heel spannends van maken. Wat is er nou meestal in een museum te zien? Hoe heet dit museum: historisch museum? Dan zal er wel iets over de geschiedenis te vinden zijn. Wat weet jij van de geschiedenis? Heet het museum naar de plaatsnaam, dan zal er wel iets over die plaats te zien zijn. Wat kun jij vertellen over onze woonplaats?
En dan stel je je open voor alles wat je maar kunt tegenkomen in het museum.

Kortom, je past je aan, maar vooral: je beleeft de omgeving zoals kinderen dat beleven kunnen. Zij maken geen onderscheid in schilderij en voorwerp, ze beleven alles even intensief, aangetrokken door iets wat hen boeit. Ze staan open voor veel , maar kunnen ook even snel en makkelijk aan iets voorbij lopen, wat wij als leerkrachten juist als zeer leerzaam hadden uitgekozen.
En dan maak je een keuze: richt ik hun aandacht erop, want ik wil hen iets daarover laten meebeleven, iets meegeven of laat ik het en concludeer ik dat ze er niet aan toe zijn? Dat bepaal je heel snel ter plekke.

Zo hebben 3 jongere kinderen van ongeveer 8 jaar zich intensief beziggehouden met het maken van een puzzel gebaseerd op een schilderij, terwijl de andere 3 van ongeveer 10 jaar op de grond lagen in een zaal, kijkend naar een plafondschildering en erbij hardop filosofeerden wat er zou gebeuren als dat schilderij naar beneden zou komen, hoe zij er dan uit zouden zien: blauw, met goud… enz. Dat had ik niet bedacht! Mijn les erbij zou geweest zijn: Kijk, in die eeuw maakten mensen zelfs schilderingen op hun plafond, zo rijk waren ze.
Maar is het niet veel mooier dat deze kinderen zich eindeloos verdiepten in de kleuren, de afbeelding, de sfeer beleefden, terwijl ze heerlijk lagen uit te rusten?
Daar blijf ik liever van af!
Dan geniet ik met hen mee.

Geplaatst in Montessori, Onderwijs | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Museum in de klas

Een leerkracht komt de teamkamer binnen en verzucht: “Leuk, hoor, bezig zijn met Rembrandt van Rijn en vertellen over een begrip als ‘schutterij’, maar dit hele kunstproject duurt wel wat lang. ‘Schutterij’ staat mooi niet in de Citotoets! Ik moet nog mijn boek uit zien te krijgen dit jaar…”
Er ontspint zich een discussie tussen mij (als vertegenwoordigster van de Montessoristroom) en anderen die op een reguliere school werken. We komen elkaar nader als het gaat om de wil kunst als onderwerp te integreren in het dagelijks onderwijs (regulier: “we nemen dan bijv. met het oefenen van woorden hakken in stukken een woord als ‘schilderij'”), maar we raken uit elkaar als het gaat om de mogelijkheid dit thema rustig op te bouwen en als vanzelf dood te laten bloeden, afhankelijk van de belangstelling van de kinderen, want dan komt hun noodzaak tot het afmaken van de methode in het gedrang, daar waar ik mijn totale onderwijs kan betrekken bij dit thema.

eigenmuseumZo maken wij van de klas een museum van de zelfgemaakte kunstwerken. Hierbij komen zaken als ruimtelijk inzicht van pas: hoe stel je werken tentoon, zodanig dat ze mooi hangen en staan? Maar ook wordt er gemeten: om een schilderij willen we mooie lijsten. We maken een kassa met nep-geld en willen onze kunstwerken laten bezichtigen tegen betaling van een toegangskaartje. Geschiedenis wordt er bij gehaald: de Gouden Eeuw , waarbij we kort even het verschil met de Middeleeuwen (religieuze kunst) aanhalen. Omdat we dan praten over ontdekkingsreizen, bekijken we de kaart van de wereld.
Er wordt tijdens het schilderen en timmeren (Rietveldstoeltjes) flink gediscussieerd over van alles en nog wat: kind R: “Weerlicht is geel, hoor.” Kind L: “Nee, hoor, weerlicht is hartstikke blauw!” R: ” ik heb er zelf in gestaan.” L: ” Uh, dat kan niet eens, dan ben je dood.”
Ik grijp pas in, nadat R. bij mij komt om steun. Deze jongen zit nog niet zo lang bij mij op school en is nog kwetsbaar, want hij heeft zijn status nog niet echt verworven binnen de jongensgroep. Ik praat met alle kinderen over het hebben van een mening, een idee. Ik leg uit dat je altijd kunt proberen de ander daarvan te overtuigen met goede argumenten, maar dat het mogelijk moet zijn om allebei bij je eigen mening te blijven, als je echt denkt gelijk te hebben. Dat dat dan geaccepteerd moet worden door iedereen en dat niemand dan boos op de ander hoeft te zijn, maar dat je er misschien later nog eens over na moet denken.

Omdat er een kind regelmatig met taal moet bezig zijn, vraag ik hem een verhaal te maken bij een schilderij. Hij kan dit niet, zegt hij. Ik vraag hem: “Jij vond dit een mooi schilderij, weet ik nog. Kun je mij vertellen waarom?” Het kind vertelt direct met een bevlogenheid over wat hij er allemaal in ziet. Ik zeg: “Kijk, wat je mij nu vertelt, mag je opschrijven.” En nu kan het kind aan de slag.

Als slotstuk van dit project gaan we nog naar een museum en moeten de binnenstad door. Ik praat dan over verkeersregels en oefen met hen het oversteken, het rekening houden met elkaar: opzij gaan op de stoep voor bijv. een ouder met kinderwagen. Onderweg wijs ik op de pas geleerde borden en tekens uit de verkeerskrant die we op school gemaakt hebben.
In het museum weten ze dat ze niet mogen rennen, omdat er kostbare spullen staan en hangen. Ze weten dat ze anderen kunnen storen als ze teveel geluid maken en ze kijken hun ogen uit.
Want… ze herkennen zoveel van wat er verteld is over dit alles in de klas!
Maar: of dit alles in de Citotoets staat? Ik heb geen idee en het houdt me totaal niet bezig!! Ik weet wel wat er in de kerndoelen staat en kan op deze manier waarmaken dat mijn onderwijs tegemoet komt aan de eis van deze maatschappij. Ik maak vooraf een planning van lessen die ik denk te gaan geven. Ik schrijf de lessen uit met doelstelling, lesinhoud (ja, ook begrippen, woorden als ‘schutterij’ misschien wel!) en mogelijke verwerkingen. Ik bereid mijn omgeving voor met boeken, opdrachten, plaatmateriaal zodanig dat kinderen zelf op onderzoek uit kunnen gaan. Ik luister en kijk naar de kinderen en schrijf bijzonderheden van hun gedrag op en leg zodoende per kind vast wat het geleerd heeft van al deze activiteiten.
Maar: ik wijk heel gemakkelijk af van mijn pad als de kinderen mij een andere kant opsturen. En dat geeft ruimte! Een ruimte die zoveel oplevert. De kinderen werken met een intensiteit en een gedrevenheid die ik niet ken als ik steeds van activiteit zou wisselen, omdat de methode daarom vraagt.

 

Geplaatst in Montessori, Onderwijs | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Faja Si Ton

stenenWe gaan in de kring zitten en ik pak de kiezels van Corsica en deel ze uit. Omdat we nu al een tijd bezig zijn met stenen, gaat iedereen ruiken en voelen aan de stenen. Ik laat ze, maar ga er nu niet op in. Ik wil wat anders doen met de stenen, dit keer. Ik begin een verhaal te vertellen dat ik een liedje weet met een spelletje met stenen wat te maken heeft met de slavernij. “Ik ga aan de oudste kinderen nog wel eens een keer wat meer daarover vertellen, maar dat ga ik nu niet doen met de jongste kinderen erbij.” Dat doe ik om te voorkomen dat Sam weer van alles gaat vragen over slaven en daarbij zich verliest in sensatieverhalen, die niet bepaald geschikt zijn voor jonge kinder-oortjes. Ik vertel summier over Zuid-Amerika , te weten Suriname, waar mensen wonen die vroeger in Afrika woonden. Dat deze mensen als slaven meegebracht zijn door slavenhandelaren, en dat die in tuinen en plantages moesten werken. Maar dat die mensen niet met elkaar mochten praten. En waarom ze dat niet mochten, maar dat die slaven daar zelf wat op hadden verzonnen. Die gingen gewoon liedjes zingen. En die liedjes hielpen hen om het ritme van het werk er in te houden. Ik maak bijv. het gebaar van plukken van koffiebonen en zing de eerste regels van “Faja siton”.

Er ontstaat hilariteit, want dat is natuurlijk Surinaams en de kinderen weten helemaal niet waar het over gaat. Ik vervolg mijn verhaal zonder ook maar iets van de tekst te verklaren. ‘Het was natuurlijk voor die slavenhandelaren helemaal niet zo gek, want ze zagen dat de slaven lekker doorwerkten. En dat zingen dat hielp om de moed er in te houden, nou, laat maar zingen, laat maar doen.’ En opnieuw zing ik het liedje en maak een andere beweging van iets plukken en ik deed weer dat ritme voor, weer die beweging, zo raakten ze er al een beetje aan gewend. Ik: “Maar ja, de slavenhandelaren wisten niet wat deze slaven zongen, want dat was Afrikaans, dat kenden zij niet. Net zoals jullie het niet weten, he. Jullie weten totaal niet waar ik het over heb.” Meteen is er aandacht bij de kinderen. “Ik zal jullie vertellen wat ik aan het zingen was”, en ik leg de tekst uit. Ik vertel dat die steentjes heet gemaakt werden en aan een zweep vastgemaakt werden. Met zo’n zweep werd over de ruggen van de mensen geslagen om ze te dwingen hard door te werken. Dat die ruggen altijd bloot waren, want het was daar heel warm.

Tijdens het vertellen van het verhaal, zing ik voortdurend fragmenten van “Faja si ton”, brandende steen. En dan vertel ik wat wij zelf ermee gaan doen. “Je moet je voorstellen, dat wij die brandende steen in onze hand hebben! En wij willen dus niets liever dan zo snel mogelijk die brandende steen aan een ander geven. En dat gaan we nu oefenen, dus hup, hand zo.”
Tijdens deze uitleg hebben de kinderen ook daadwerkelijk die steen in hun handen. Ze zitten zo in het verhaal dat op het moment dat ik vertel over de hitte van de steen, kinderen ogenblikkelijk de steen willen doorgeven, of laten vallen!
Ik besef dat ik dit zelf heb opgeroepen. Dus ik vervolg met: ” We gaan eerst oefenen met een niet zo hete steen. Deze brandt nog niet.”

Het is heel moeilijk voor een groepje kinderen. Het valt mij opnieuw op: het zijn de drie kinderen die in mijn ogen ADHD hebben. Al is het maar bij 1 kind officieel gediagnosticeerd, de andere 2 vertonen identiek gedrag. Zij kunnen werkelijk niet de controle over de steen in hun hand houden. Op het moment dat ik vervolg met de bedoeling van het spel: de steen doorgeven, zonder te laten vallen en bij het eind van het liedje kijken wie er meer dan 1 steen in zijn hand heeft, schrikken deze drie kinderen zelf al.

We beginnen en ik geef de opdracht: “Doe je steen in je rechterhand. ” Een mooi moment om te observeren: wie weet welke hand zijn rechterhand is. Uiteindelijk heeft iedereen zijn steen in zijn rechterhand. “En dan gaan we de linkerhand klaar leggen, want daar gaat straks een steen in komen van je buurman.” En daar is het probleem met Diederik. Diederik zit vlak bij me, hij zit helemaal in een wanhopige kramp met zijn armen. Ik denk: wat doe jij raar, en ik zeg: “Diederik, doe eens normaal”! “Dat kan ik niet!”
O, juf, onthoud nou eens een keer wat er met hem is, hij heeft een afwijking, waardoor hij zijn pols niet kan draaien. Ik schaam me diep en denk zichtbaar na hoe we dit op gaan lossen. Maar Diederik is niet gauw uit het veld te slaan en zegt: “Ja, dan doe ik het wel zo” en neemt een gecompliceerde houding aan. Maar nee, dat gaat niet, hij kan toch niet de hele tijd zo raar krampachtig gaan zitten. Dat moet mis gaan. Het moet voor het kind naast hem ook heel moeilijk zijn om hem er in te leggen. En de muzikale, ritmische beweging is dan ook niet erin te leggen.
Na wat gepieker, bedenk ik: hij moet gewoon een mandje in zijn hand. Daar legt het kind naast hem de steen in en daar kan hij hem weer uitpakken. Ja, dat gaat goed!! En nog mooier is: bij niemand valt er nog een steen!
Alleen, op een gegeven moment verhoog ik het tempo, want dat is het leuke daaraan. Ik blijf zingen en af en toe probeer ik eens of de kinderen al wat mee kunnen zingen. Ja, dat is niet zo moeilijk meer. Maar met de verhoging van het tempo erbij, gaat het mis. Opeens heeft Marijn heel veel stenen over in zijn hand! Een hoop hilariteit bij de kinderen en bij mij! Maar niet bij Marijn. Hij slikt zijn tranen weg. En ik realiseer me ogenblikkelijk: nee, dit kan hij nog niet aan. Marijn is een zeer gevoelig jochie dat alles nauwkeurig en precies wil uitvoeren. Hij kan slecht onderscheid maken tussen spel en werkelijkheid. Hij is ogenblikkelijk van slag als iets mislukt of als hij iets niet begrijpt. Toch constateer ik vooruitgang; zijn huilen is ingehouden, hij gaat niet meer op de grond trappelen, hij blijft zitten, hij blijft eigenlijk ook wel meedoen. Ik ben trots op hem, stilletjes.

Naast me zit Midas, met open mond kijkt hij naar Marijn en begrijpt zichtbaar niets van deze reaktie. Ja, dat is zo kenmerkend voor Midas, die zou nooit daar om gaan trappelen, nooit gefrustreerd zijn, die zou er alleen maar vreselijk lol om hebben en denken: “Zo, ik heb lekker veel stenen”.

Het lied is klaar en nu zijn er natuurlijk kinderen zonder steen! Marijn blijft dan opgewonden zeggen: “Ik heb hem, ik heb hem”, maar komt niet op het idee om op te staan en die steen te geven aan het kind wat zijn hand uitsteekt. Ik hoop hem toch nog iets verder te krijgen, dat hij het wel vervelend vindt dat het mis gaat, maar dat dat nog geen reden is om te huilen. Wat het zingen van een liedje allemaal teweeg brengt.

 

Geplaatst in Montessori, Onderwijs | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Het ontstaan van een Schoolkrant

‘Wat doen jullie toch allemaal?’
‘O, gewoon, we maken een krant.’
‘Wat? Een krant? Hoezo, sinds wanneer? Vertel!’

krantEn zo begon het. De kinderen van mijn bovenbouwgroep waren al begonnen met stukjes te maken voor een soort schoolkrant. Ik hoorde hen aan en stelde voor dat ze ter plekke verder zouden overleggen en dat ik alleen zou ingrijpen als ik dacht hen te kunnen helpen. De kinderen overlegden ogenblikkelijk verder en ik trok me terug achter het bord en notuleerde stiekem alles wat ik langs hoorde komen! Dat overleg ging ongeveer zo:……..’Ho, stop! Niet allemaal tegelijk. Zullen we afspreken dat als iemand roept ‘stop’, dat dan iedereen stil is?’ ‘Ja, en dan geef ik iemand de beurt.’

En zo geschiedde.
Nathan ontpopte zich tot ‘stoproeper’ en Joanne gaf dan de beurt. Dit ging lang goed. Later vond iemand het idee van een vinger opsteken ook aardig. Ook dat gebeurde.
Bram:’ En dan gaan we bij een winkel staan en roepen: ‘Krant te koop!’
Nathan: ‘Bram, dit wordt niet zo’n krant. Hij wordt voor de school.'( Ik notuleerde: doelgroep: de school.)
Ik greep pas in toen hun fantastische plannen door financiële overwegingen beperkt dreigden te worden.
‘Als we voor de kleuters gaan maken, dan moeten we groot schrijven. En heel veel plaatjes erin tekenen.’ ‘Dan wordt ie heel dik en veel te duur!’
Ik stelde voor dat de school daar vast wel een oplossing voor wist.
De kwestie hoeveel kranten er nodig waren, was ook interessant: ‘We vragen aan ouders €0,50 en kinderen krijgen hem gratis.’ ‘Maar als de kinderen hem krijgen, dan hebben de ouders er toch ook al één…’

Alle elementen kwamen aan bod. Ik hoefde slechts nog samen te vatten en hen te stimuleren er daadwerkelijk vorm aan te gaan geven. En zo worden zaken als ‘deadline’, ‘redactie’, ‘vormgeving’, ‘kolommen’, ‘illustrator’, ‘journalist’, ‘interview’ , enz. vanzelf besproken.
Nu nog een digitale camera en uiteindelijk lag er een krant als resultaat. De inhoud was volledig door de kinderen bepaald. Zij hebben er met een ongelooflijk enthousiasme aan gewerkt. Ik hoefde slechts te sturen, te steunen daar waar zij het overzicht misten of de kennis ontbeerden. Ik gaf de ruimte, ik stimuleerde en probeerde mijn onderwijs aan hun inzet aan te passen.

Geplaatst in Montessori, Onderwijs | Tags: , , | Een reactie plaatsen